Schrijver VS auteur

Elk auteur is eerst schrijver. Iemand die schrijft in dagboeken, lukrake en gekoesterde schriftjes, misschien in een clubje op school, op een besloten schrijfforum of in een facebookgroep. Naast de schrijver is er maar een handjevol ingewijden dat weet dat de schrijver schrijver is. Je moeder, of net niet. Een lief, een handvol collega’s. Op een bepaald moment wil die schrijver misschien echt een boek schrijven, gepubliceerd worden. Naam en faam verwerven. Vanaf dat moment wordt voor die schrijver willens nillens het boekenvak belangrijk.
De eerste keer dat ik in aanraking kwam met het boekenvak was ik twaalf. We zouden met onze klas middelbare scholen gaan bezoeken, en eerst kwam er iemand over die middelbare scholen, en dus de toekomst, praten op school. Het was - achteraf gezien - duidelijk dat die iemand, (een uitgebluste, Grauwe Man) daar niet de aangewezen persoon voor was, maar op dat moment was hij voor mij De Man Die De Deur Naar De Toekomst Bewaakte. 

We begonnen met een rondje ‘wat wil je worden als je later groot bent’. In mijn klas zaten een drietal dokters, veel juffen en meesters, iemand die iets wilde doen in het theater, een muzikant in spe en zelfs een piloot (‘en heb je 20/20 visie?’ ‘ja meneer’ ‘OK dan’) naast een heleboel kinderen die absoluut geen idee hadden. Bij alle grote toekomstdromen werd goedkeurend geknikt en doorverwezen naar een betreffende richting in een betreffende school. Bij alle nitwits werd grootmoedig geglimlacht. ‘Het komt wel, jongen.’ Toen was het aan mij. Bij het woord schrijver keek Grauwe Man plots vertoornd. 
Er waren zo veel mensen die boeken wilden schrijven. En het was zo weinigen gegeven om dat doel te bereiken. Je moest heel veel Talent hebben, met een grote T. Hierbij bekeek hij mij eens goed door zijn bevlekte bril en besloot ter plekke dat ik dat niet bezat, talent. En als je dan al heel veel talent had, vervolgde hij, dan moest je ook nog heel veel Geluk met een grote G hebben. Waar ik mezelf nog wel het voordeel van de twijfel wilde gunnen over dat talent, was het in verband met Geluk met een grote G wel duidelijk. Daar was ik niet voor geboren. Ik bleef een schrijver natuurlijk, maar een auteur zou ik nooit worden.

 

Acht jaar, vijf middelbare scholen en zes richtingen later behaalde ik een diploma waar ik nooit iets mee deed, dobberde een tijdje rond in uitzichtloze zwart uitbetaalde jobs en besefte toen eindelijk (wijsheid komt met de jaren) dat Grauwe Man hoogstwaarschijnlijk een uitgebluste wannabe-schrijver was die net zijn zoveelste afwijzing ontving en dat ik op z’n minst moest proberen iets te doen met dat waarvan ik vond dat ik het kon: schrijven. Runa en het Grote Boze Boekenvak, take two. 

Schrijver VS publiek

Om mezelf wat grond onder de voeten te geven (ik ben van nature geloof ik nogal een bangerik) schreef ik me in bij de Schrijversacademie. Die had een toelatingsproef. Ik nam aan dat dat diende omdat er zo’n overweldigende hoeveelheid schrijvers in spé zich wilden inschrijven dat alleen de allerbesten zouden worden toegelaten. Dus ik zweette peentjes maar ik haalde het. Achteraf bleek dat iedereen het gehaald had. De toenmalige Schrijversacademie (ondertussen gerund door een heel andere organisatie dus ik mag dit vast wel zeggen) had het inschrijvingsgeld namelijk gewoon nodig. So it goes, nietwaar? Maar er zaten toch een drietal geïnteresseerde en interessante schrijvers in mijn jaar en al die vingeroefeningen en cafégesprekken waren echt de moeite dus nee, geen spijt. Bovendien was de Schrijversacademie de eerste plek waar ik, of datgene wat ik schreef, in aanraking kwam met het publiek. En het publiek, dat hoort bij het boekenvak.


Het publiek, of de publieke ruimte, is een van de pijlers van dat spanningsveld waar ik het eerder over had. Schrijven is hoofdzakelijk een solitaire bezigheid. Elke schrijver zit op zijn of haar spreekwoordelijke zolderkamertje zijn of haar spreekwoordelijke magnum opus te schrijven en zolang dat werk niet in de publieke ruimte terecht komt is het zo briljant of zo afgrijselijk als de schrijver het zelf vindt. Je hoeft je geen zorgen te maken over schrijftechnische details, interne logica of over wat je moeder er eigenlijk van vindt dat je de meest gênante details van je jeugd op papier zet. Het is al goed als je er zelf lol aan beleeft. Het is privé. Maar als je lezers krijgt worden al die zaken plots wel belangrijk. Geef ik te veel bloot? Lijkt dit te veel op therapeutisch schrijven? Kan dit niet verkeerd opgevat worden? Als ik schrijf vanuit het standpunt van een neonazi zullen ‘ze’ dan denken dat ik zelf een neonazi ben? Binnenwereld wordt openbare ruimte. 
En die openbare ruimte is nog een stuk publieker nu dan in zeg maar de periode dat Vondel zijn Constantijntjen Zalig kijntjen schreef. Want die had geen Facebook waarop de wereld hem in groten getale condoleerde na het schrijven over zijn overleden zoon. Of waarop je de dag na dat optreden waar je in een geïmproviseerde bindtekst ongenuanceerd en onhandig je gal spuwt over een of andere grote literaire bozo het filmpje daarvan een honderdtal keer gedeeld ziet. Oeps.

Toch maken we met z’n allen graag gebruik van kanalen als Facebook. Het is ook handig. Een boek schrijven kost tijd. Daar zit je dan, op je zolderkamertje, te schrijven aan dat tweede, derde of zevende boek, en je laatste boekpresentatie is al weer een jaar of drie geleden en de laatste recensie verscheen al weer twee jaar geleden en een prijs zit er nu ook niet meer in. De hele godverdomse wereld is vergeten dat je bestaat en ondertussen schrijf jij maar door aan iets waarvan je weet dat er niemand op zit te wachten. Je wordt niet meer gevraagd om op te treden of om eens iets nieuws te schrijven voor een of ander tijdschrift. Niemand wil je mening nog horen en op recepties sta je wat vereenzaamd in een hoekje want jij bestaat niet meer en er zijn zo veel andere schrijvers die wel hot of cool of vet zijn want ze zijn zo nieuw dat ze nog in de verpakking zitten. En ook je uitgever is je alweer vergeten want ja, in je contract staat wel dat die aan promo doet maar wat dat werkelijk inhoudt weet niemand. Ik heb er een fijne, maar ik ken zat schrijvers die al blij zijn als hun uitgever de locatie voor de presentatie betaalt en achteraf geen rekening stuurt voor de wijn en de toogzoutjes.

 

Dus doen we (en met we bedoel ik een groot aantal, maar natuurlijk niet alle, schrijvers) het maar zelf. We posten evenementen waarop we aanwezig zullen zijn, en achteraf de foto’s van ons op die evenementen, liefst naast belangrijke personen, en we vertellen over de voortgang van ons boek, en we reageren op de actualiteit ook al weten we er niets van af, en plaatsen vaak zelf ineengeknutselde en dus nogal knullige teasers en trailers van ons boek of gewoon gekke memes over grote dode schrijvers en we lullen wat af over onze katten (achter elke goede schrijver staat een kat, zo gaat de mythe, ik heb er twee). En zo hopen we de interesse van ons publiek in leven te houden. 
Waar we zelden over praten, op Facebook, op recepties, op café, of zelfs met onze schrijfvrienden in de woonkamer, dat zijn de cijfers. De genadeloze ‘hoeveel boeken zijn er verkocht’ en ‘wat krijg je voor dat optreden of dat artikel’-cijfers. Dat ligt me dunkt gedeeltelijk aan typisch Vlaamse géne en gedeeltelijk aan de mythe van het straatarme literair genie. De echte Groten stierven meestal toch ook miskend en in arren moede, nietwaar? Je moet vooral niet als een geldwolf overkomen. Bovendien zitten we met een slabakkende economie. En wat doet cultuur nu eigenlijk helemaal. Verpleegsters worden ook onderbetaald en die redden levens. Dus wie zijn wij om te klagen. Bovendien, als we daar op dat podium staan moeten we dat eigenlijk zien als publiciteit. En de eer om door die bepaalde organisatie gevraagd te worden levert zeker weer andere optredens op (door organisatoren die dan, helaas, ook vaak weer vinden dat eer gelijk is aan pré). Maar ik loop op de zaken vooruit, want ik ben volgens de interne logica van mijn verhaal nog niet gedebuteerd. 

 

Dat debuut dus. Vier jaar Schrijversacademie, een bachelor taal- en letterkunde om het hopeloze hiaat in mijn literaire kennis op te vullen en eindeloos veel penoefeningen later had ik een bundel. En die bundel werd uitgegeven omdat ik veel (en gratis, uiteraard) optrad, veelvuldig op recepties aanwezig was en daar met onkarakteristieke extraversie met iedereen stond te kletsen (vaak geholpen door mijn goede vriend Rode Wijn) tot er zich uiteindelijk, op een poepsjieke receptie op een Flandria die ik bijna gemist had een communicatiemisverstand voordeed. Dat ging ongeveer zo:
‘En hoe gaat het met je eindwerk?’
Ik dacht hierbij aan mijn bundel die ik als eindwerk voor de Schrijversacademie schreef want ik kon aan niet veel anders denken op dat moment.
‘Mijn bundel? Ik heb net een titel, en ik heb eindelijk de natuurlijke structuur ervoor gevonden, van achter naar voor in plaats van van voor naar achter, ik snap niet waarom ik daar niet eerder op kwam. Nu moet ik wel die twee laatste reeksen nog bijwerken, maar…’
De gesprekspartner onderbreekt me licht verward.    
‘Ik bedoelde eigenlijk je eindwerk aan de unief.’
De gesprekspartner was een Nederlander.
‘Mijn thesis bedoel je? Oh nee, dat is voor volgend jaar pas, je kan niet alles tegelijk doen hé,’ + ongemakkelijk lachje.
De gesprekspartner is even stil.
‘Heb je dan een bundel geschreven?’
‘Ja dat zeg ik toch net.’
‘Nou, ik ben lector bij een uitgeverij…’
Voilà. Drie weken later was mijn modelcontract bij Marmer, een relatief nieuw uitgeverijtje met een afgrijselijke website en zero literair prestige, getekend. Het Geluk met een grote G had mij gevonden. Oftewel: Runa in het Grote Boze Boekenvak take three.

 

Weloverwogen zakelijke keuzes

Of ik niet enigszins overhaast te werk gegaan ben? Natuurlijk. Of ik wist wat ik deed? Geen flauw benul. Of ik mijn contract heb laten nalezen door iemand die er iets van wist? Nope. Of ik zelf alles begreep wat er in stond? Misschien niet àlles. Maar het was een modelcontract en ik had op internet gelezen dat dat een goed ding was. En ik had een goed gevoel bij mijn uitgever. Een dikke kale Nederlander (sorry Marc, alles voor het verhaal) die net vijf jaar retecommerciële boeken had uitgegeven en nu voldoende in de kassa had zitten om het literaire (lees: verlieslatende) luik van zijn uitgeverij, zijn ware passie, op te starten. Bovendien was het feit dat ik van de uitgave van mijn poëziebundel niet rijk zou worden een van de eerste dingen die mijn uitgever me vertelde. Dat klonk koosjer. 

 

Mijn allerbeste schrijfvriendin (zo eentje waarmee je zelfs over de cijfers durft praten) heeft nog voorzichtig gesuggereerd dat ik misschien toch nog eens kon insturen naar andere uitgeverijen, dat mijn werk daar echt goed genoeg voor was etc. maar ik was te druk bezig met Grauwe Man te bewijzen dat hij zich vergist had. In your face Vlekbril! En de rest is geschiedenis, zeggen ze dan. Een aantal nominaties, prijzen, buitenlandse tripjes en twee jaar boekenvak later denk ik godverdomme: ik heb echt geluk gehad. Ik ben op een wegvarende Flandria gesprongen zonder enig idee waar die naartoe ging, en of ik er ooit nog terug af kon. 
Want ondertussen heb ik meer dan genoeg cowboyverhalen gehoord, niet via via maar eerste hand: van uitgevers die vertikken aan redactie te doen omdat dat geld kost, auteurs die staan te huilen omdat de uitgever vergat hun werk in te sturen voor elke grote prijs van het seizoen, auteurs die onder tafel betalen om hun bundel gepubliceerd te zien bij een ‘gerenommeerde’ uitgeverij omdat dixit de uitgever ‘alle dichters dat doen’, auteurs wier uitgever er met de karige winst van al zijn auteurs tezamen vandoor ging, auteurs wier uitgever failliet ging en auteurs die zelf failliet en/of er onderdoor gaan doordat de combinatie schrijver/manager/accountant nu eenmaal zwaar weegt, zeker als je daarnaast nog een beroep uitvoert en een gezin onderhoudt. Het wordt doorgaans begeleidt met een lamlendig schouderophaaltje en een flauw grapje over het straatarme schrijversgenie.

Mijn uitgever loopt zich ondertussen de benen uit het lijf om recensie-exemplaren rond te sturen, plant mij voortdurend in bloemlezingen, vergat nog nooit in te sturen voor een prijs en denkt voor zover hij kan (de Nederlands-Vlaamse kloof is hierbij soms wat lastig) mee na over manieren om inkomsten te verkrijgen in de vorm van bijvoorbeeld een beurs. Dat was vooral handig toen ik vlak na het verschijnen van mijn bundel uit elkaar ging met de vader van mijn kinderen en plots zonder die financiële back-up kwam te staan waar volgens de cijfers 31% van de professionele auteurs af en toe op terugvalt: het inkomen van de partner. 

 

Die 31% percent heb ik niet verzonnen maar uit een studie van onderzoeksgroep CuDOS  geplukt. Zij onderzochten middels een online enquête de sociaaleconomische positie van kunstenaars in Vlaanderen, om te zien waar ze van leven, wat ze verdienen, wat ze uitgeven, of ze blij zijn en of ze nog iets nodig hebben. Nu weten we allemaal dat cijfers niet alles vertellen, anders hadden we geen verhalen meer nodig. Maar doen alsof ze er niet zijn is ook weer te gek. 
Dus wat zegt dat verder nog? Bijna 40% werkt naast hun job als auteur ook in loondienst, en dat zijn de gelukzakken. Een dikke 36 percent is zelfstandige in hoofdberoep. De rest rommelt dan denkelijk wat aan met KVR-etjes en zo of staat onder de bovenstaande bescherming die letterlijk zo oud als de straat is: het mecenaat (in dit geval in de vorm van het huwelijk, ook niet heiligmakend, believe you me). Als je puur naar de cijfers kijkt is dat zelfstandige in hoofdberoep worden een verschrikkelijk idee. 
De zelfstandige auteur in hoofdberoep verdient gemiddeld rond de 20.000 euro netto (voor de mensen zoals mij die dat altijd vergeten: dat is nadat de belastingen eraf gingen). In dat gemiddelde zit, volgens mijn krakkemikkige berekening die iets met meridianen en kwartielen van doen had en die ik nu niet kan navertellen maar waar ik echt heel hard mijn best op deed, een kwart kunstenaars die minder verdienen dan 10.000 euro per jaar. Ter vergelijking: de armoedegrens voor een alleenstaande in Vlaanderen ligt op 12.993 euro netto per jaar . YOLO. Die paar uitzonderingen daargelaten die comfortabel kunnen leven van hun kunst, zij het door hun Talent met grote T, Geluk met grote G of een ongewone combinatie van artistiek kunnen en zakelijk inzicht, zijn de meeste schrijvers onderhevig aan grote schommelingen in hun toch al karige inkomen, die de meesten onder ons (ook ik, ondertussen) proberen te compenseren met andere beroepsactiviteiten, als het even kan iets dat in lijn ligt met onze passie. Schrijfles geven bijvoorbeeld. Eigenlijk zou je Grauwe Man bijna gelijk gaan geven. Je moet wel gek zijn om schrijver te willen worden.

 

Het grote wikken en wegen

Om het grote cijfertaboe te doorbreken ga ik hier volledig met de billen bloot. Maar wie er morgen een filmpje van op Facebook zet, die krijg ik wel. Ikzelf heb de laatste twee jaar geleefd van alleen het schrijven en wel zo: de HDC-prijs, 1000 euro. Een schrijfbeurs van de VAV, 4000 euro. De Jo Peters poëzieprijs, 1250 euro ontvangen, 1250 op komst. De Bridges of Struga poëzieprijs, 1000 euro, mijn royalty’s, een 960 euro, en verder een aantal schrijfopdrachten en optredens waarvan de inkomsten schommelden tussen de 50 en 650 euro. Ik moet er nog bij vermelden dat ik ongeloofwaardig goedkoop woon in een geweldig maar lek huis met een tuin, zonder schrijfkamer en dat mijn nieuw lief mij twee keer mee op vakantie nam omdat hij geen zin had om alleen te gaan en ik er geen geld voor had. Tot en met september, wanneer ik les begon te geven, schraapte ik elke maand 750 euro alleen van het schrijven bij elkaar. Daar bovenop plempte ik de kindervergoeding en lo and behold! Ik zat net boven de armoedegrens van een alleenstaande! It was a hell of a ride, maar ik ga het niet nog eens doen. En het vreemde is dat niemand zegt; ben je gek? Ga toch een job zoeken bij de post! Nee, het levert je zelfs status op. De status van het straatarme literair genie.
Onlangs zat ik op een bank in het park samen met een drietal andere schrijvers een biertje te drinken na een optreden. Een van ons zei dat hij dat jaar 100 optredens had gedaan. De meeste daarvan waren open podium en dergelijke en dus onbetaald. Als IT’er in een Mystery Shopping bedrijf maakte dat niet uit. Hij was gewoon blij dat hij honderd keer op een podium stond. De andere schrijver werkte voornamelijk in Keulen nu, theaterprojecten. Hij zei: voor minder dan 350 euro doe ik niets meer. Mijn mond viel zowat open. 350 euro. Een ongepubliceerde schrijver. Dat krijg ik alleen op Nederlandse festivals, die je een mailtje sturen waarin iets staat als, we willen je boeken, dan, daar, je hotel is geregeld en op 5 minuten van de venue en je krijgt voor elk kwartier dat je optreedt 350 via SSS (niet te verwarren met SS, die naam, mànnen). Maar verder, geweldig. Hier in Vlaanderen is het iets ingewikkelder. Je krijgt een mailtje. 

Beste schrijver, 
wij zijn van die en die organisatie en wij organiseren zus en zo. 
Wij vinden uw werk uitmuntend en hadden u graag eens uitgenodigd voor het volgende evenement op die datum. Kan dit uw interesse wekken?
Vriendelijke groetjes,
een geweldige organisatie waar je altijd al eens op het podium wilde staan.

Je stuurt terug

Hallo lieve werknemer van die organisatie waar ik altijd al eens op een podium wilde staan,
ik ben die datum gelukkig nog vrij en ik vind het een hele eer… bla bla bla bla

helemaal onder aan de mail, voorzichtig,
en is er ook iets van budget voorzien?

mailtje terug

Beste schrijver, 
    wij zijn zo blij bla bla bla

    helemaal onder aan het mailtje
    hoeveel zou u willen hebben?

Hoeveel zou u willen hebben? Een miljoen fokking euro eikels! Maar ja. Dat is vast niet realistisch. Het grote wikken en wegen begint. Hoe groot is de organisatie? Hoeveel prestige hebben ze? Hoeveel budget zouden ze misschien kunnen hebben voor hun schrijvers? Zouden de reiskosten daar mee inzitten? Zijn hun subsidies toevallig niet net dit jaar geschrapt? Als ik te veel vraag, zoeken ze dan gewoon iemand anders? Soit. Voor minder dan 350 kwam ik niet meer buiten. De schrijfvriendin waarover ik het al eens had, die met enig zakelijk instinct, tenminste als het anderen betreft zegt nee, je moet minstens 550 vragen voor die opdracht. Je moet er research voor doen en schrijven en erheen gaan en op het podium staan. Uiteindelijk ga ik opzoeken wat het gangbare bedrag is op de geweldige website van de VAV en stuur een mailtje terug.

    Beste organisator van dit evenement,

    (hartkloppingen)
    500 euro? Is dat goed? Gaat dat?
    Niet te veel?

Mail verstuurd, sta ik daar te dansen achter mijn computer en denk, kijk, ik heb het allemaal aan mezelf te danken. Ik ben gewoon veel te bescheiden. Je zoekt gewoon even de gangbare prijs op, je vraagt een klein beetje minder of een klein beetje meer afhankelijk of je het een fijne organisatie vindt, en dan werk je gewoon zoals andere gewone mensen voor een gewoon inkomen. Ha kijk, ik heb al een mail terug!

    Beste schrijver,

    wij werken helaas met beperkte middelen + een lange en volkomen redelijke en verstaanbare uitleg waarom die prijs niet kan en een vriendelijke medewerker die zijn of haar uiterste best doet om dan toch nog met iets anders te komen en uiteindelijk zeg je ja. Want we zitten allemaal in hetzelfde culturele schuitje. En er zijn geen vaste prijzen. En iedereen doet zijn of haar job. En we hebben een eindeloze voorraad goodwill en passie en hart, en als we die niet hebben worden we verbitterd en sterven aan een hartbreuk maar tegen dan zijn we al uit de schijnwerpers verdwenen en dan heeft toch niemand het gezien. En het is beter om iets te verdienen dan niets te verdienen en er zijn gewoon geen deftige structurele middelen voor cultuur. Die zijn er niet. Niet omdat het geld op is, maar omdat we als maatschappij kiezen om dat geld ergens anders aan te geven. De Grauwe Man heeft nooit gelijk gehad. Er zijn niet te veel schrijvers. Er zijn niet te weinig mensen die boeken kopen. Er zijn gewoon mensen die foute keuzes maken op niveaus waar wij, zolang we ongeorganiseerd en onzakelijk blijven niet aan kunnen en er zijn gewoon mensen die alles doen wat binnen hun macht ligt om het boekenvak te laten voortbestaan. En die doen dat vaak onder hun prijs. En dan heb ik het niet alleen over de schrijvers. Bovendien krijg je als je over dit alles klaagt nog zo verrekte vaak te horen (vooral van schrijvers die een cushy jobje hebben waar ze goed betaald worden om weinig te doen): je bent toch niet verplicht om van het schrijven te leven? Dat kies je. En ze hebben gelijk en zoals dat zo vaak gaat hebben ze ook ongelijk. 

 

Structurele oplossingen 

OK. Er zijn dus structurele problemen. Daarvoor moeten dan structurele oplossingen gevonden worden. De CuDOS studie beveelt daaromtrent aan: het creëren van sterke kunstenaarsvakbonden, klinkt goed. Een aanpassing van het Sociaal statuut voor de Kunstenaar, eindelijk. Het opstellen en afdwingen van minimumtarieven en modelcontracten, yes please! En differentiatie naargelang kunstenaarsdiscipline. Ja. Een schrijver is geen beeldend kunstenaar is geen muzikant. Verder wordt er gepraat over ondersteuning van kunstenaars op het zakelijke vlak. Wij moeten zelfstandiger worden. Beter geschikt om het echte leven aan te kunnen. Wij moeten onszelf beter ‘marketen’. Wij moeten weloverwogen zakelijke keuzes maken. Wij moeten ophouden met arm te wezen, ophouden ons handje open te houden bij de maatschappij en gewoon zoals alle andere ondernemers ons handje volgrabbelen op ‘de markt’.
    Hiervoor wil ik even iets parafraseren uit een artikel uit 2000 dat ik ooit las in Trouw, en nog eens uit de kast haalde voor dit schrijven. Aan het woord is Ulli d’Oliveira, toenmalig voorzitter van het Fonds van de Letteren, over schrijvers en hun ‘ondernemerschap’ .

Naar mijn mening is de primaire onderneming van schrijvers het schrijven. Het overgrote deel van de Nederlandstalige schrijvers kan, in dit relatief kleine taalgebied, niet leven van de opbrengsten van het schrijverschap. Het is een illusie te denken dat schrijvers door nevenactiviteiten zoals het houden van lezingen, optreden in het circus van signeersessies, optredens in tv-spelletjes, en hoe deze gedurfde en creatieve schnabbels meer mogen heten, zichzelf kunnen bedruipen zonder hun schrijverschap te schaden. In feite geldt, dat veel schrijvers en andere kunstenaars de gemeenschap subsidiëren door ten behoeve van hun productie genoegen te nemen met een bescheiden en onzekere levensstandaard.

Lucratievere alternatieven om inkomen te verwerven zijn vaak voorhanden, maar worden afgewezen om de ruimte te behouden voor het ongewisse avontuur van creatieve inspanningen. De overheid verleent steun in de vorm van subsidies via het Fonds voor de Letteren en dergelijke, om schrijvers in staat te stellen zich niet in geld opleverende beuzelarijen te begeven. Het is dan ook niet zonder meer een verbetering om het Fonds voor de Letteren op te dragen ‘in een meer flexibele en sturende rol schrijvers beter toe te rusten als zelfstandig ondernemer op de literaire markt.’

Al dit gepraat over ondernemerschap mag niet afleiden van het feit dat het creatieve ondernemerschap niet zit in het genereren van inkomen, liefst los van subsidies en sponsoren, maar in het maken van literaire werken.

Voila. Wij schrijvers moeten gewoon maar schrijven, en verder moet er van ons, literaire genieën maar ongelooflijke klunzen op elk ander vlak, maar niet te veel verwacht worden. Nee dus. Ik wil me best wel eens verdiepen in de ins en outs van de zakelijke kant van mijn schrijverschap, alleen word je er verdomd moedeloos van. Want er zijn op dit moment voor schrijvers geen goede oplossingen. Zelfstandige in hoofdberoep worden is heel riskant, zoals de cijfers aantonen. Zelfstandige in bijberoep zijn betekent dat je daarnaast nog gewoon een job hebt en het in veel van die jobs moeilijk tot onmogelijk is om eens drie maanden te verdwijnen om gewoon te schrijven schrijven schrijven. Aanmodderen met KVR-etjes, is per definitie gelimiteerd, en al die opties leiden tot een manke opbouw van rechten zoals bijvoorbeeld je pensioen. 

Dus kunstenaarsvakbonden en de uitbouw van het kunstenaarsstatuut en het op zakelijk vlak sterker maken van kunstenaars zijn geweldige ideeën. Als dat dan goed gebeurd. 
Want, en lieve kijkbuiskindertjes, dit is echt mijn laatste argument, er schuilt ook gevaar in structurele oplossingen. Die zijn doorgaans namelijk nogal structureel, zijnde weinig flexibel en traaaag als het aankomt op zich aanpassen aan een snel veranderende economische realiteit. Als ze dan onder invloed van een veranderlijk en verraderlijk politiek landschap snel snel geimplementeerd worden, riskeer je weer jarenlang aan een nog manker systeem vast te zitten, dat eerder kwaad dan goed doet. 
Onlangs moest ik nog eens een KVR invullen, dat was al even geleden. Bleek dat dat niet meer ging zonder de kunstenaarskaart. OK dan. Hoe kom je aan zo’n kaart. Ah, je dient een aanvraag in. Er worden allerlei diepgaande vragen gesteld. Je moet bijlagen toevoegen (nergens staat waarover die moeten gaan, gewoon, bijlagen, en beste kunstenaar, het is belangrijk voor uw dossier). Het zweet stond me in de handen. Wat als ze mij nu eens geen echte kunstenaar vinden? Wat als er al te veel kunstenaars zijn en ik er niet meer bij kan? Een pagina verder staat er: als je je aanvraag indient wordt je kaart meteen verstuurd. Oh? Dus niemand leest mijn ‘belangrijk dossier’? God en klein pierke, iedereen krijgt een kaart, waarom moet ik dan in godsnaam al die onzin invullen? Nog een pagina verder wordt het duidelijk: je moet je kaart altijd op zak hebben. En ook een overzicht met al je prestaties. Die moet je altijd bij je hebben ter inspectie op de werkplek. En nog een pagina verder, de pagina ‘Commissie Kunstenaars’ (dat zijn mensen die het in een commissie zitten tot een kunst verheven hebben, geloof ik) is er geen twijfel meer mogelijk: ‘De kunstenaarskaart is een controlemiddel in het kader van forfaitaire kostenvergoedingen voor artistieke prestaties.’
Ah gelukkig, eindelijk gaan ze dat een beetje controleren. Heb je die cijfers gezien? Al die kunstenaars die leven van zo weinig? En die zoeken geen andere job? Dat kan nooit kloppen. Die steken vast alles in hun zak. Miljoenen zijn er zo al verdwenen! En met die kunstenaarskaart hebben we eindelijk duidelijkheid. Wie doet wat wanneer en voor wie. En als het ons niet aanstaat, dan pakken we dat kaartje af! Fantastisch idee, dat kunstenaarsstatuut. Het werd op vraag van het culturele veld in het leven geroepen om kunstenaars meer socio-economische rechten te bieden, maar in de praktijk leidt het alleen tot extra plichten. Over een spanningsveld gesproken. 
Ik werd onlangs gevraagd om iets te zeggen over het boekenvak. Ik heb er lang en hard over nagedacht en ik weet er niet veel van want ik ben gewoon een schrijver, maar eigenlijk is het vrij simpel. Van alles wat ik gezegd heb zijn er maar twee dingen die belangrijk zijn om te onthouden. Er is een Grauwe Man die doet alsof hij de deur naar de toekomst in zijn macht heeft, maar je moet hem niet geloven. En het is niet omdat veel geniale schrijvers straatarm stierven dat straatarm zijn je tot een genie maakt. (Ofte correlatie is niet gelijk aan causaliteit.) Dus stel ik voor dat we gewoon elke keer opnieuw loon naar werken vragen. En als het er niet is, dan doen we toch gewoon voort.

Toen ik gevraagd werd om in The state of the Art van het achtste VAV werkcongres mijn visie op het boekenvak te geven, voelde ik eerst verbazing, gevolgd door lichte paniek. Wat weet ik nu eenmaal van het boekenvak? Ik ben een auteur! Mijn job is schrijven. Een gecompliceerd proces van het verwerken en bewerken van wat ik als de werkelijkheid percipieer tot een schijnbaar coherent geheel waar lezers een zekere mate van ongemak en/of plezier van kunnen ondervinden. Van het boekenvak, een minstens zo ingewikkeld geheel van instellingen, economische dynamieken en ondoorzichtige relaties tussen mensen van groter of kleiner belang binnen die instellingen en dynamieken weet ik niets.

Gelukkig mocht ik het ook hebben over mijn ervaringen. OK. Als beginnend auteur zijn dat er niet zo gek veel natuurlijk. En er zit een boel anekdotisch materiaal bij, waar ik een publiek misschien wel mee aan het lachen krijg, en eventueel zelfs aan het huilen, als ik heel erg mijn

best doe. Maar iemand die naar het congres komt om kennis op te doen, zou bij het luisteren naar die ervaringen toch vooral gefrustreerd raken omwille van de lage relevantie ervan. Voilà. De lichte paniek was terug, en ging over in een iets urgenter aandrang die neerkwam op ‘stuur gewoon een mailtje terug, en zeg nee, je hebt het druk, heel druk’ (het druk hebben is altijd goed, dat impliceert succes, in het boekenvak, zoveel weet zelfs ik nog wel).


Alleen was ik ondertussen ook nieuwsgierig geworden. Want een auteur die niets weet over het boekenvak? Dat is raar. Zoals een boer die zegt niets te weten over het vleeswezen. ‘Ik maak alleen de koe, en verder niks.’ Was ik echt zo kortzichtig? Of waren die anekdotes die rondzweefden in mijn hoofd misschien toch enigszins relevant? Was het feit alleen al dat mijn eerste reactie iets was van ‘oh nee’, al niet veelzeggend? Wat betekende dat dan? Wil ik eigenlijk wel iets weten over het boekenvak? Of wil ik niet dat het geweten is dat ik er iets van weet, want boekenvak klinkt als verkoop en verkoop klinkt commercieel en commercieel is helemaal OK voor een broodschrijver maar klinkt voor een zichzelf respecterend dichter toch een beetje vies. Maar waarom dan? Ik moet me niet bepaald schamen voor mijn inkomen als dichter. Ik heb er geen. 
Kortom, ik ontwaarde een spanningsveld. Dat spanningsveld wekte mijn interesse. Dus heb ik uiteindelijk (na 15 minuten of zo) toch een mail teruggestuurd met ja, ik wil. Ik wil rare anekdotes delen (zoals die keer dat ik op een wegvarende Flandria sprong om bij een receptie te zijn, om er daarna meteen weer af te willen springen). Maar ik wil ook nadenken. Over dat waar ik dus blijkbaar liever niet aan denk: het boekenvak.

Runa en het grote boze boekenvak

(State of the Art, op het achtste werkcongres van de Vlaamse auteursvereniging, 07/01/2017)